Reglementaire verkeersdrempels: een overzicht

Uit mobiliteitsbrief 110 - Nieuw beleid

Heel wat verkeersdrempels beantwoorden nog niet aan de reglementaire voorschriften. Nochtans bestaat er een koninklijk besluit dat de vereisten voor de aanleg van verhoogde inrichtingen bepaalt.

Verkeersdrempels werken rechtstreeks in op het snelheidsgedrag van de weggebruiker. Ze zorgen ervoor dat bestuurders verplicht worden om af te remmen. Sinds 1998 bestaat er een koninklijk besluit dat de vereisten voor de aanleg van de verhoogde inrichtingen bepaalt. Vier jaar later werd dit besluit nog gewijzigd om de bestaande tekortkomingen op te vangen en de wegbeheerder een bijkomende termijn te geven om niet-conforme inrichtingen aan te passen. Vandaag zijn deze aanpassingen echter nog niet overal gerealiseerd. Als geheugensteun voor wie nog wijzigingen moet aanbrengen, volgt hier een kort overzicht van een aantal voorschriften die gelden bij de aanleg van verkeersdrempels.

MOB11020F01l.JPG(Foto: Kluwer)
Een reglementaire verkeersdrempel is 4,80 meter lang, maximaal 12 cm hoog en heeft een witte kammarkering.

Beter niet op bepaalde routes

Algemeen geldt dat een verkeersdrempel mag aangelegd worden op een openbare weg binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom op voorwaarde dat er een snelheidsbeperking geldt van 50 km/uur. Er worden geen verkeersdrempels aangelegd op de openbare wegen die frequent gebruikt worden door bussen en hulpdiensten, omdat ze die voertuigen kunnen hinderen. Dezelfde redenering wordt best ook gevolgd voor wegen die bedoeld zijn als routes voor zwaar vervoer. Verkeersdrempels worden loodrecht op de as van de rijbaan aangelegd. Ze strekken zich uit over de totale breedte van de rijbaan, behalve wanneer de rijrichtingen op een rijbaan fysiek van elkaar gescheiden zijn. In dat geval mag de breedte van de verhoogde inrichting zich beperken tot het gedeelte van de rijbaan bestemd voor één rijrichting. Bovendien moeten verkeersdrempels buiten de bochten en buiten de kruispunten (op min. 15 m) aangelegd worden. Ook moet er een minimumafstand van ongeveer 75 m van andere verhoogde inrichtingen bewaard blijven, behoudens plaatselijke omstandigheden. Ten slotte moet men op een hellende weg een maximum hellingspercentage van 15% respecteren, van de helling van de weg en van de verkeersdrempel samen.

Schade voorkomen

Om te verhinderen dat verkeersdrempels schade berokkenen aan voertuigen, moet bij de aanleg van de drempel een aantal technische voorschriften over de vorm en afmetingen gerespecteerd worden. Voor de lengte is dat 4,80 m (een afwijking van ± 5% wordt toegestaan) en een maximale hoogte van 12 cm. Behalve binnen de zones 30, moeten verkeersdrempels ook duidelijk aangegeven worden door de verkeersborden A14 (op afstand) en het bord F87 (ter hoogte van de drempel). Ze moeten bovendien zodanig aangelegd zijn dat ze zich duidelijk onderscheiden van de wegbedekking van de rijbaan en over hun hele breedte en op hun hellingen voorzien zijn van een kammarkering: afwisselend korte en lange strepen van witte kleur op donkere achtergrond, evenwijdig met de aslijn van de rijbaan en eindigend op een witte dwarsstreep.

MOB11020F02.jpg

Bord A14

MOB11020F03.jpg

Bord F87